“Van snelheid op de weg naar geduld op het gras — het is allebei een kunst.”
Toen ik dit huis kocht, was ik verliefd op het grote terrein in de Bourgogne. Maar ik had er nooit bij stilgestaan hoeveel werk het zou zijn om het allemaal te onderhouden. Vroeger voelde ik me best stoer op mijn Kawasaki 750, en ik heb zelfs nog op een quad gereden. Maar zo’n zitmaaier op hobbelig terrein? Dat is heel andere koek.
Gelukkig kreeg ik les van schoonzoonlief. Ik rijd tegenwoordig in standje slak in plaats van haasmodus. Hij scheurt er in no-time overheen, maar ik neem liever de tijd. Het leuke is dat het terrein veel groter blijkt te zijn dan ik dacht, nu we ook de hele oppervlakte maaien en snoeien. Daarbij kwamen we erachter dat er nóg meer fruit- en notenbomen staan dan verwacht.
Misschien is de volgende stap wel een tractor. Wie had dat ooit gedacht? Pien op de zitmaaier — en binnenkort misschien zelfs op een tractor.
“Fiets, motor, auto, quad, zitmaaier en wie weet straks een tractor — ik ben er gek genoeg voor!”
En nu ben ik benieuwd… wat was voor jou de grootste onverwachte klus toen je een huis kocht of verhuisde?
Van Kawasaki-motor naar zitmaaier — deel 2: In standje schildpad langs de sleedoorn
Eén voordeel heeft het wel, dat ik tegenwoordig in standje schildpad over mijn terrein tuf op de zitmaaier: ik zie veel meer dan vroeger. Zo ontdekte ik onlangs, half verscholen aan de rand van het perceel, een prachtige sleedoornpruim.
De Sleedoorn (Prunus spinosa L.) is niet bij iedereen bekend, maar het is een ware schoonheid uit de Rozenfamilie. In het vroege voorjaar, nog vóór het blad verschijnt, tooit hij zich met witte bloesems — een feest van licht tegen het kale landschap. De bloei duurt kort, maar intens. Eind maart tot uiterlijk eind april kleuren struwelen en bosranden wit: de lente kondigt zich aan.
De struik zelf kan tot drie meter hoog worden, met donkere, doornige takken en kleine, berijpte, blauwzwarte vruchten. Die bessen — of eigenlijk steenvruchten — smaken wrang en hard, maar na een paar nachten vorst worden ze zachter en iets zoeter. Het oud-Nederlandse woord “slee” betekent dan ook “de tanden stroef makend”. Niet bepaald iets voor direct uit de hand, maar wél een schat voor wie weet wat ermee te doen.
Men zegt dat de sleedoorn één van de oerouders van de pruim is. In Frankrijk maken ze er jam of likeur van (prunelle), maar ik koos voor iets anders: wilde olijven uit eigen tuin, oftewel SLEE-OLIJVEN!
🌿 Recept: gefermenteerde sleedoornbessen
Je hebt nodig:
300 g gewassen sleedoornbessen
330 g zout
330 ml water
1 soeplepel gemengde peperbolletjes
Enkele blaadjes laurier
1 kaneelpijpje
2 takjes duizendblad
Zo doe je het:
Kook het water met zout, kruiden en specerijen. Laat afkoelen.
Doe de bessen in een bokaal en giet er de koude pekel over.
Sluit de pot goed af en zet hem ongeveer zes maanden weg.
Giet daarna af en laat de bessen een etmaal drogen.
Overgiet ze met olijfolie tot ze onderstaan en voeg eventueel wat ‘wilde’ kruiden toe: duizendblad, marjolein, waterpeper, daslook of een stukje look (de look na een week verwijderen om schimmel te voorkomen).
De sleedoorn vruchten hangen hoog en hebben doornenDe vruchten zijn mooi blauw, vogels zijn ook dol op de sleedoor vruchten. We plukken alleen wat we nodig hebben, de rest laten we hangenDit is één struik, maar er staat hier een hele haag vol sleedoorn struikenIk laat ze een paar dagen in de vriezer liggen dat geeft hetzelfde effect als nachtvorst, pas daarna worden de sleedoorn vruchten eetbaar
En dan wachten… Na een paar maanden heb je heerlijke, aromatische “olijven” met een vleugje wildernis.
🍂 Een struik met geschiedenis
De sleedoorn is al sinds de steentijd een trouwe metgezel van de mens. Archeologen vonden zaden en stenen op oude nederzettingen; waarschijnlijk werd het vruchtvlees tot fruitleer gedroogd. In de oudheid en middeleeuwen gebruikten Arabieren, Grieken en Romeinen de bloemen en bessen als geneesmiddel tegen buikloop en verkoudheid.
Zelfs de doorns hadden nut: slagers gebruikten ze vroeger om worsten bij elkaar te prikken, en boeren plantten sleedoorn en meidoorn als natuurlijk prikkeldraad.
In de Keltische tijd was de sleedoorn verbonden aan Samhain – het feest dat wij nu Halloween noemen – en stond hij symbool voor de donkere kant van het jaar, wanneer de natuur zich terugtrekt.
De sleedoornbessen moeten eerst de kou hebben geproefd voordat ze eetbaar worden — na de eerste nachtvorst, of simpelweg na een paar nachten in de vriezer.
🐝 Een onmisbare plant voor de natuur
De vroege bloei maakt de sleedoorn onmisbaar voor de eerste bijen, hommels en dagvlinders. Zelfs zeldzame soorten zoals de sleedoorn- en pruimenpage gebruiken de struik als waardplant om hun eitjes op af te zetten. En al lijkt het soms heftig als de meidoornstippelmot de struik kaalvreet, hij herstelt zich altijd en staat het volgende voorjaar weer vol in bloei.
Terwijl ik dus langzaam voortschuif over het terrein, motor zacht pruttelend, glimlach ik. Van Kawasaki-motor naar zitmaaier, van snelheid naar stilte — en onderweg ontdek ik de schoonheid van de sleedoorn, van het wachten, van het zelf maken.
Wie had dat gedacht? Dat ik ooit zou stilvallen… om olijven van sleedoorn te maken. 🌸
Over een half jaar laat ik jullie met plezier mijn potten vol zelfgemaakte sleedoorn-olijven zien — recht uit de tuin, met een vleugje wilde magie.
Ik heb jullie laatst al meegenomen in mijn stoofkweeperenblog, maar kweepeer gelei is zo’n klassieker dat ze een eigen plek verdient. Het maken van gelei vraagt geen ingewikkelde techniek, maar wél geduld. Je hebt kweeperen nodig, water, suiker – en vooral tijd, want de vruchten moeten rustig hun smaak en kleur afgeven aan het vocht.
Sommige mensen trekken hun kweeperen zelfs dubbel: eerst koken en zeven, daarna nog een ronde met de kweepeerstukken en dat vocht weer bij de eerste ronde voegen. Zelf doe ik dat niet – ik verwijder de klokhuizen met pitten omdat ik de overgebleven stukken gebruik om kweepeer-jam van te maken. Laat je de pitjes wel zitten, dan krijg je vaak een nog steviger gelei door het natuurlijke pectinegehalte. Mijn liefde voor de kweeperen gelei begon al jong:
Herinneringen aan oma
Mijn liefde voor kweeperen is namelijk niet nieuw. Het gaat terug naar mijn kindertijd en de herinneringen aan mijn Franse oma uit de Elzas. Zij maakte vroeger al kweepeer gelei, zelfs toen ze met mijn opa in Amsterdam woonde. Ik zie haar nog voor me in haar elegante keuken, de prachtige glazen potjes die altijd in stijl waren met hun huis – een statig herenhuis waar alles een vleugje klasse had. De potjes met gelée de coings waren net kleine juwelen op het aanrecht. Ik ben veel vergeten maar dat herenhuis met prachtige plafons, het mooie servies en de glazen potjes, zie ik zo voor me, zelf nu nog…
Toen mijn oma in Nederland moeilijk aan kweeperen kon komen, stopte die traditie. Jarenlang raakte ook ik de gelei een beetje uit het oog, tot ik hier in de Bourgogne mijn eigen boom ontdekte. Eerst was er vooral verbazing: ik had dit huis gekocht, inclusief een flink stuk land en allerlei fruitbomen, maar wat waren dit toch voor vreemde vruchten? Geen appel, geen peer, en dan ook nog dat eigenaardige, fluweelachtige laagje eroverheen.
Gelukkig zijn er behulpzame dorpsgenoten – en natuurlijk Google. Soms lijkt het hier alsof de tijd vijftig jaar heeft stilgestaan, maar dán is internet ineens een zegen. Al snel kwam ik erachter dat ik een grote, rijkdragende kweeperenboom in de tuin had staan. En met het maken van kweepeer gelei kwamen ook de herinneringen terug: aan mijn oma, aan de geur in haar keuken, en aan dat gevoel van warmte en geborgenheid.
Geschiedenis & weetjes over kweeperen
De kweepeer (Cydonia oblonga) is een bijzonder stuk fruit met een rijke geschiedenis. Oorspronkelijk komt de kweepeer uit de landen rond de Kaspische Zee. Het Portugese woord voor kweepeer, marmelo, gaf ons zelfs het woord marmelade.
De oude Grieken noemden de kweepeer een “gift van de goden” en gebruikten de vrucht tijdens huwelijksceremonies. De hoeveelheid pitten zou voorspellen hoeveel kinderen het bruidspaar zou krijgen. In de Romeinse tijd werd de vrucht al geroemd en ook tijdens de middeleeuwen stond hij op bruiloftstafels. Nostradamus schreef zelfs dat kweepeer gelei hielp bij liefdeskwalen en een betere doorbloeding.
Leuk om te weten: in veel landen is kweepeer nog steeds een klassieker. In Duitsland heet het Quittengelee, in Frankrijk natuurlijk gelée de coings, en in Spanje maken ze er carne de membrillo van – een stevige, bijna wijn-gumachtige pasta die vaak met kaas gegeten wordt.
De kweepeer in de Bourgogne
Hier in Frankrijk heeft de kweepeer nog steeds een vaste plek in de keuken. De boom, cognassier in het Frans, wordt vooral geteeld in kleinschalige boomgaarden in de regio’s Auvergne Rhône-Alpes, Provence-Alpes-Côte d’Azur en ook in de Grand-Est. In de Bourgogne zie je ze vaak in oude tuinen, waar de bomen een beetje vergeten lijken, maar elk jaar trouw hun vruchten geven.
Kweeperen worden zelden rauw gegeten – daarvoor zijn ze te hard en zuur – maar verwerkt in gelei, confiture, compote of bij hartige gerechten zijn ze onovertroffen. Mijn favoriet blijft toch de klassieke gelei, maar de Fransen zijn ook dol op pâte de coings, een stevige blok zoetigheid die vaak bij kaas wordt geserveerd.
Mijn persoonlijke twist
Hoewel ik het klassieke recept gebruik, geef ik mijn eigen draai aan de gelei. Mijn dochters houden van vanille, dus maak ik altijd een paar potjes waarin ik een vanillestokje mee laat trekken. De zachte vanillesmaak combineert prachtig met het bloemige, frisse aroma van de kweepeer. Een andere variant die ik graag maak is met appel en sinaasappel: net wat frisser en lichter, ideaal bij een herfstige lunch.
De veelzijdigheid van kweepeer gelei verrast me steeds weer. Ik eet het bij een kaasplank – vooral heerlijk bij een sterke Roquefort of een zachte Brebirousse (schapenkaas). Maar ook bij stoofpotten, in een hartige quiche of gewoon door een bakje yoghurt doet de gelei het fantastisch. En eerlijk: een lepeltje op een stukje vers brood kan ook al pure luxe zijn.
Was de kweeperen goed en snijd ze in stukken (met schil en klokhuis).
Doe de stukken in een grote pan met het water en breng aan de kook. Laat zachtjes koken tot de vruchten bijna uit elkaar vallen en het sap roze kleurt.
Laat afkoelen en met de deksel erop een nachtje staan.
Giet de massa door een fijne zeef of passeerdoek. Druk niet te hard, zodat de gelei helder blijft.
Meet het sap af en voeg per liter sap 1 kilo gelei suiker toe. Voeg ook het citroensap en eventueel het vanillestokje, appel of sinaasappel toe.
Breng al roerend aan de kook en laat koken tot de gelei stevig wordt (geleiproef: een druppel op een koud schoteltje moet stollen). Komt er schuim bovenop drijven, schep dat dan weg, zodat de gelei helder blijft.
Giet de hete gelei in gesteriliseerde potten, sluit af en laat omgekeerd afkoelen.
Tip: Van de overgebleven stukjes kweepeer maak je in een handomdraai een heerlijke kweepeer-jam – niets hoeft verloren te gaan! Vergeet dan niet de pitten te verwijderen. De schillen en pitten bevatten veel pectine, wat ervoor zorgt dat de kweepeergelei mooi stevig wordt. Je kunt zelfs uitsluitend van de schillen en pitten gelei trekken! Wil je echter zowel gelei als jam maken, dan vind ik het persoonlijk handiger om de schillen en het klokhuis met pitten vooraf te verwijderen. Zo houd je het overzicht en kun je beide bereidingen makkelijker scheiden. Ik kook mijn gelei dan iets langer door om toch die perfecte, lichttrillende dikte te krijgen — het is uiteindelijk een kwestie van gevoel en ervaring.
Ongeveer 65 kilo kweeperen dit jaar van één kweeperenboomHet plukken doen we met een grijp/pluk handje want ze hangen hoogDit is de kweepeer jam met citroensap, rasp en rozijnenDe gelei, prachtig van kleur. Fris zoete smaakAls ik de gelei voor de tweede keer aan de kook breng, schep ik grijs schuim erafVan de schillen en klokhuizen kan je een perfecte gelei makenIk met mijn trots, de kweeperen
Herfstgevoel in een potje
Voor mij is de kweepeer gelei veel meer dan een recept. Het is een stukje familiegeschiedenis, een Bourgondische traditie en een manier om de herfst te vangen in een potje. Elke keer dat ik de gelei proef, proef ik niet alleen de vrucht zelf, maar ook de herinneringen: de geur van oma’s keuken, de gezelligheid van samen inmaken, en de belofte van lange avonden met kaarslicht en kaasplanken.
De kweepeer is misschien een “vergeten vrucht”, maar in mijn huis is ze springlevend. Ze markeert het begin van een nieuw seizoen, waarin de natuur tot rust komt en wij de warmte juist binnen zoeken. Voor mij is kweepeer gelei het ultieme symbool van herfst, nostalgie en Bourgondische gezelligheid.
Dus: mocht je ooit een kweepeerboom tegenkomen, laat je dan niet afschrikken door de harde, zure vruchten. Neem ze mee, maak er gelei van en ontdek hoe veelzijdig en bijzonder dit fruit is. Wie weet breng je er net als ik een stukje traditie en warmte mee terug in je keuken.
Nog een paar kleine extra tips die ik kreeg van mijn dorpsgenoten hier in de Bourgogne: sommige mensen rijgen de schillen van de kweepeer aan een touwtje en hangen ze te drogen in huis. De lucht vult zich dan met die heerlijke, frisse en fruitige geur van kweepeer – een natuurlijke parfum van moeder aarde zelf.
En wist je dat als je de pitten even laat trekken in gekookt water, het vocht wat gelei-achtig wordt? Dat schijnt weer goed te zijn voor de huid.
Beide heb ik eerlijk gezegd zelf nog niet geprobeerd, maar het klinkt typisch als zo’n mooi, doorgegeven Bourgondisch gebruik dat ik niet kon laten om het met jullie te delen.
🍐 Extra aandacht & tips uit mijn Bourgondische keuken
💧 Hygiëne is alles Was je potten en deksels in kokend water en laat ze uitlekken op een brandschone theedoek. Werk altijd zo schoon mogelijk – dat voorkomt schimmels en bederf. Sluit je potten goed af en bewaar ze donker en koel; zo blijven ze zeker een jaar goed. Eenmaal geopend, bewaar ze in de koelkast en gebruik ze binnen een week.
🥣 Hoeveelheid & houdbaarheid Van ongeveer 1,5 kilo kweeperen maak ik zo’n vijf middelgrote potten gelei of drie potten jam, afhankelijk van de kooktijd en de grootte van de peren.
📸 Stap voor stap In mijn fotogalerij zie je het proces: van het schillen tot het vullen van de potten. Zo kun je stap voor stap meelezen.
🍏 Variaties & smaakideeën Probeer eens te combineren met appels, vijgen, rozijnen, citroen of een scheutje Calvados – de variaties zijn eindeloos. Gebruik de koude-schotel-test om te zien of je gelei stijf genoeg is: zet een schoteltje 5 minuten in de vriezer, laat er een druppel gelei op vallen en trek er met je vinger een streep in. Blijft die streep zichtbaar, dan is je gelei perfect.
✨ Als de gelei niet goed stolt Meestal lukt dat vanzelf bij kweeperen, maar je kunt eventueel een zakje pectine toevoegen. In de pot stijft de gelei bovendien nog iets verder op.
🚫 Let op met pitten Breek de pitjes niet – ze bevatten een kleine hoeveelheid blauwzuur. Laat huisdieren er ook niet van eten.
💌 Call to action Heb jij ook kweeperen in de tuin of mooie herfstrecepten? Deel ze in de reacties hieronder of tag me op Pinterest of Instagram — ik vind het geweldig om te zien hoe anderen dit “vergeten fruit” weer tot leven brengen.
Van boom tot potje goud — de geur van kweepeer, herinnering en Bourgondische traditie.
Hoewel het nog zacht weer is in oktober, geniet ik wel al van stoofpeertjes. Stoofpeertjes staan voor mij ook voor de zalige herfst!
De geur van stoofperen doet me altijd direct aan de herfst denken. Gezelligheid, warme drankjes, pompoenen… en natuurlijk stoofpeertjes. Dit jaar hangt de kweeperenboom barstensvol, maar toch belandden de eerste stoofperen al in mijn slowcooker. Niet omdat het al zo koud is, maar gewoon omdat ze zo heerlijk smaken.
Mijn moeder en oma maakten hun stoofperen vroeger op een groen petroleumstelletje. Die herinnering is me heel dierbaar. Zelf gebruik ik nu liever een elektrische slowcooker – net wat veiliger, vooral als ik de deur uit moet. Het resultaat is gelukkig hetzelfde: een huis dat gevuld wordt met een zoete, kruidige herfstgeur waar je alleen maar blij van wordt.
De kweeperen kleuren na het koken rood-bruin, je kunt wat bessensap of rode wijn toevoegen. Dan worden de peertjes nog roder.Veel omgewaaide bomen, in de Bourgogne is het nog wild en soms ruig, geen mooie rechte paden. Lies klimt en hangt aan de bomen, ik loop er liever omheen 😉Worffy geniet van het herfst zonnetje op zijn vacht. Het is zalig wandelweer.Lies schilt de kweeperen, van de schillen en klokhuizen kan je kweeperen gelei maken. Daarover gaat mijn volgende blog.Tussen de kweeperen ook nog enkele walnoten, behalve kweeperen ligt het land ook vol noten. Soms hebben de kweeperen een soort fluwele laagje, die was ik weg, lelijke plekjes haal ik ook weg.De schil en de pitjes van de kweepeer bevatten veel pectine daardoor is het niet moeilijk om een jam of gelei van de schillen en pitjes te maken.Je ziet nog aan de bovenkant wat van het fluwele laagje, deze kweepeer is redelijk egaal van vorm maar ze kunnen vreemde vormen hebben, een beetje tussen een appel en peer in. In Nederland noemen ze de kweepeer ook wel kwee appel.
Wat zijn stoofperen?
Stoofperen zijn peren die je niet rauw kunt eten. Ze zijn te hard en zuur, maar zodra je ze langzaam stooft, veranderen ze in een zachte, zoete lekkernij. Vaak worden ze gestoofd in water met suiker en kaneel, soms ook met wijn of bessensap.
Bekende rassen in Nederland zijn de Gieser Wildeman en de Saint Remy. Beide soorten kleuren vanzelf prachtig bruin-rood tijdens het stoven – daar is geen wijn voor nodig. Het enige dat nodig is: tijd en geduld. Ik kies voor mijn kweeperen uit mijn eigen kweeperen boom uit mijn Bourgondische voedselbos.
Een eeuwenoude traditie
Stoofperen koken is een eeuwenoude traditie. De Griekse dichter Homerus schreef al over de peer als “gift van de goden”. In Romeinse geschriften komen ze ook al voor.
Waarschijnlijk ging het toen ook om stoofperen, want de zoetere handpeer bestond pas vanaf de 16e eeuw. In kloosters werd toen met succes veredeld, en zo ontstond de peer die we rauw eten. Mooi om te bedenken dat je met een stoofpeer een stukje culinaire geschiedenis in handen hebt. En dat proef je als je goed je proeft!
Stoofperen recept – alcoholvrije variant
Een klassiek recept, precies zoals mijn moeder en oma het maakten.
Ingrediënten (4 personen):
1 kilo stoofperen (Gieser Wildeman of Saint Remy)ik gebruik kweeperen uit mijn eigen boomgaard
500 ml water
150 gram suiker (meer of minder naar smaak)
1 kaneelstokje
2 kruidnagels
Eventueel: een stukje citroenschil en het sap van een halve citroen
Bereiding:
Schil de peren, laat de steeltjes eraan voor een mooi effect.
Zet ze rechtop in een pan of slowcooker.
Voeg water, suiker, kaneel en kruidnagel toe.
Laat de peren op laag vuur 2 tot 3 uur stoven, of in de slowcooker ca. 4 tot 5 uur.
Serveer warm of koud.
Stoofperen recept – met rode wijn
Voor wie een diepere smaak en extra feestelijk tintje wil.
Ingrediënten (4 personen):
1 kilo stoofperen
250 ml rode wijn (scheutje port erbij is ook lekker)
250 ml water
150 gram suiker
1 kaneelstokje
1 steranijs (optioneel)
Bereiding:
Schil de peren en zet ze in een pan of slowcooker.
Voeg wijn, water, suiker en kruiden toe.
Stoof de peren zachtjes gaar in ca. 2 uur op het fornuis, of 4 uur in de slowcooker.
De peren krijgen een prachtige dieprode kleur en rijke smaak.
Hoe serveer je stoofperen?
Stoofperen zijn ongelofelijk veelzijdig. Een paar van mijn favorieten:
🍐 Bij de kaasplank – heerlijk met roquefort of andere blauwe kazen.
🍐 Met stoofvlees of wildgerechten – klassiek en perfect in de herfst.
🍐 Bij spruiten, zuurkool en aardappelgerechten – fris-zoet als tegenhanger.
🍐 Als dessert – met een bolletje vanille-ijs en wat ingekookt kookvocht als saus.
Dat laatste is misschien wel mijn favoriet. Het kookvocht indikken tot een siroop en dat warm over ijs gieten… dat is pure verwennerij.
Een ode aan de stoofpeer
Stoofperen koken is meer dan een recept. Het is een ritueel, een stukje traditie dat warmte en geur brengt in huis zodra de dagen korter worden. Voor mij hoort het net zo bij de herfst als vallende bladeren en pompoenen.
Of je ze nu maakt in een slowcooker, op het fornuis of – net als vroeger – op een petroleumstelletje: stoofperen zorgen voor gezelligheid, voor herinneringen, en vooral voor smaak.
Kun je geen genoeg krijgen van de kweepeer en haar betoverende geur? Ontdek dan ook mijn blog over het maken van klassieke kweepeergelei en jam — met authentieke Bourgondische recepten. De link vind je hieronder.
Een theelepel sambal kan een hele maaltijd veranderen – niet alleen in smaak, maar ook in beleving.
“Een fantastisch moestuinjaar.” Zo begon het allemaal. Terwijl de zon mijn Bourgondische tuin verwarmde, groeiden er uit kleine witte bloempjes langzame wondertjes: spiralen van groene pepers, eerst bijna zwart en uiteindelijk felrood, vurige juweeltjes die bijna té mooi waren om te plukken. En toch kwam dat moment – mijn eerste oogst. Ik voelde me rijk, maar ook een beetje weemoedig. Ze hingen daar zo prachtig, als kunstwerken van de natuur. Voor mijn gevoel te mooi, te rood om te plukken!
Ik wilde iets bijzonders maken, iets dat recht deed aan die rode vurige schoonheid. In Frankrijk zie ik dat pepers langzaam terrein winnen; waar ze vroeger nog zeldzaam waren, liggen ze nu steeds vaker in de supermarkt. Maar ik koos voor mijn eigen pad: sambal maken, met liefde, geduld en creativiteit.
🔥 Van plantje tot mijn moestuin
Mijn rode chili’s kwamen dit jaar uit een Frans tuincentrum – biologisch en vol leven. Het mooie is: ik heb maar één keer planten nodig, de zaden uit de vruchten geven me elk jaar opnieuw een overvloed. En met die overvloed experimenteer ik.
Sambal maken is balanceren: gember, bruine basterdsuiker, ketjap, tomatenpuree, verschillende pepersoorten. Elke batch smaakt anders. Soms loeiheet, soms mild en toegankelijk. Het leukste moment? Als ik een theelepel in een soep, stoofpotje of pastasaus verwerk en mensen ineens verrast roepen: “Wauw, dit is zó lekker!” Zelfs wie zegt “ik hou niet van sambal” vraagt vaak nog om een extra lepeltje.
🌍 Inspiratie & herinneringen
Mijn liefde voor sambal begon niet in Frankrijk, maar in Nederland. Ik hielp ooit een vriendin in haar kleine, industriële keuken, waar ze met haarnetje en handschoenen sambal en delicatessen maakte voor de markt. Haar eenvoudige glazen potten met statiegeldsysteem en prachtige vintage etiketten fascineerden me. Daar leerde ik: koken is meer dan eten bereiden, het is een verhaal dat je deelt. Haar recept nam ik mee, maar inmiddels heb ik er mijn eigen draai aan gegeven.
🎨 Kunst & smaak
De rode peper inspireert me niet alleen in de keuken, maar ook in mijn atelier. Hun felle rood, de groene hoedjes, de grillige vormen – ik schilder ze op canvas en aquarel, soms abstract, soms gedetailleerd. Vaak combineer ik een recept met een illustratie of een reel, zodat kunst en koken hand in hand gaan.
🌶️ Pittig leven
Vroeger vond ik pittig eten lastig. Tegenwoordig geniet ik juist van die warmte na de eerste hap. Pittig is een sensatie, een herinnering, een glimlach. En misschien ook een beetje een levensstijl. En durven te proeven en te ervaren, smaken moet je ook leren kennen. Inmiddels eet ik dagelijks mijn eigen sambal, in een omelet, door de soep, de pasta en ook op een broodje met kaas, en heel soms snoep ik zelfs een klein lepeltje, zo uit de pot met een beetje pindakaas, zo lekker en intens van smaak!
🌱 Toekomst
In mijn toekomstige huiskamer-restaurant zal mijn sambal zeker een rol spelen – misschien op tafel om naar smaak toe te voegen, misschien zelfs in kleine potjes om mee naar huis te nemen. Voor verkoop moet ik me nog verdiepen in de regels, maar één ding weet ik zeker: dit avontuur is nog maar net begonnen.
✨ Mijn missie
Met mijn sambal wil ik mensen inspireren:
Om zelf pepers te kweken, zelfs op een balkon.
Om te ontdekken dat je smaken kunt vormgeven naar je eigen voorkeur.
Om creatief aan de slag te gaan – of dat nu in de keuken of op doek is.
Om bewust te genieten van de schoonheid van de rode peper.
Pepers kweken is een avontuur op zich. Maar er is één gouden regel: oogst je pepers voor de eerste vrieskou. Ze zijn namelijk enorm gevoelig voor lage temperaturen. Je ziet het meteen: de bladeren hangen slap en herstellen niet meer. De pepers zelf lijken soms onaangedaan, maar krijgen wel degelijk een tik. Je kunt ze dan nog eten, maar de smaak is minder goed!
Een leuke ontdekking leerde ik ooit bij een kwekerij/proeverij: de hitte van een peper komt pas écht tot leven als je het kapje eraf snijdt. De zaadlijsten moeten als het ware “geactiveerd” worden. Dus als je een hap neemt van een hele peper, proef je misschien niets. Maar zodra je hem aansnijdt en de peper even laat liggen, komt die vurige kracht vrij.
En wist je dat pepers eigenlijk meerjarig zijn? Je kunt ze in de winter naar binnen halen, op een koele plek laten overwinteren, en in de lente lopen ze gewoon weer uit. Alsof ze zeggen: “We zijn nog lang niet klaar met je.” Volgende zomer gewoon weer door…
De geschiedenis van de peper is minstens zo spannend. Al rond 6000 v. Chr. verbouwden de Maya’s en Azteken pepers, niet alleen om mee te koken, maar ook voor medicinale toepassingen. In Peru zijn resten van pepers gevonden die teruggaan tot 2500 v. Chr. En pas veel later, in 1492, bracht Christoffel Columbus de chilipeper naar Europa. Op zoek naar de waardevolle zwarte peper stuitte hij op een vurige verrassing. Hij schreef in zijn logboek: “We ontdekten dat het land veel aji produceerde. Een peper die kostbaarder en gezonder is dan de gewone soort.”
Vanaf dat moment ging het snel. De Spaanse peper verspreidde zich razendsnel via Spanje en Portugal naar Afrika en Azië. Rond 1540 kwamen ze in Indonesië terecht, waar ze sindsdien niet meer weg te denken zijn uit de keuken.
En de verhalen rond pepers? Die zijn al even kleurrijk als de vruchten zelf.
Japanse samoerai aten pepers om moed te verzamelen voor een gevecht.
Boeren in Afrika gebruiken chili-oplossingen om hun gewassen te beschermen tegen olifanten en luizen.
In Mexico geldt de peper nog altijd als trots symbool, en 90% van alle pepers wereldwijd vindt daar zijn oorsprong.
Zelfs in de popcultuur duikt hij op: de Red Hot Chili Pepperskozen niet voor niets deze vurige vrucht als naam voor hun band.
Pepers zijn dus niet zomaar een pittig ingrediënt in de keuken. Ze zijn geschiedenis, cultuur, kunst, en soms zelfs een beetje magie. Van de oude Azteken tot mijn eigen moestuin in de Bourgogne: de rode peper is een kleine vrucht met een groot verhaal. 🌶️✨
🔥 Recept 1: Pure Sambal (basis, fris en pittig)
Met alleen de essentie: pepers, zout en azijn.
Ingrediënten:
250 g rode pepers
2–3 el grof zeezout
2 el natuurazijn (of rijstazijn)
Bereiding:
Voorbereiden:Was de pepers en verwijder eventueel de steeltjes. Voor extra milde sambal kun je de zaadjes deels verwijderen.
Malen:Doe de pepers met zout en azijn in een blender of vijzel en maal tot een grove of fijne pasta (naar voorkeur).
Bewaren: Schep de sambal in een schoon, gesteriliseerd potje.
Bewaar in de koelkast.
Deze variant is puur en heet, en blijft ca. 2–3 weken goed.
👉 Perfect om als basis te gebruiken en later uit te breiden met extra smaken.
🌶️ Recept 2: Rijke Sambal (zoet, hartig en in balans)
Een zachtere, aromatische sambal door de toevoeging van suiker, ketjap en gember.
Ingrediënten:
250 g rode pepers
2 tenen knoflook
2 cm verse gember (geraspt)
2 el bruine basterdsuiker
1–2 el ketjap manis
1 el tomatenpuree
2–3 el zonnebloemolie
snufje zout
Bereiding:
Snijden: Was de pepers, verwijder steeltjes (en eventueel zaadjes). Hak grof.
Fruit: Verhit de olie in een pan en fruit de knoflook en gember zachtjes. Voeg de pepers toe en bak kort mee.
Blenden: Doe het mengsel met de tomatenpuree, suiker, ketjap en zout in een blender en mix tot een gladde sambal.
Verwarmen: Giet terug in de pan en verwarm 10 minuten zachtjes.
Dit zorgt ervoor dat de sambal minder scherp wordt en meer als saus smaakt.
Bewaren: Schep in een gesteriliseerd potje. In de koelkast ca. 2–3 weken houdbaar.
👉 Heerlijk bij rijstgerechten, stoofpotjes, een tosti of zelfs een lepeltje in soep.
Mijn droom is om ooit mijn eigen olijven en olijfolie te produceren. Voor mij is de olijf één van de meest waardevolle ingrediënten: tijdloos, puur en veelzijdig. De olijfboom zelf blijft me fascineren, met zijn slanke blauwgroene blaadjes en de rijke geschiedenis die hij met zich meedraagt. Het voelt bijna symbolisch om dit project stap voor stap, met liefde en geduld, voort te zetten.
Maar mijn dromen gaan verder. Ik wil graag bijen houden en ooit de overgebleven honing uit de honingraten zelf bottelen. Ik zie mezelf ook paddenstoelen kweken en een botanische tuin aanleggen: een plek vol leven, waar insecten en vogels zich thuis voelen.
Het begint vaak met een klein zaadje in mijn hoofd, een gedachte die wortel schiet. En dan volgt de rest als vanzelf. Vandaag zag ik mijn allereerste olijven groeien. Een klein begin, maar het voelt als het startpunt van iets groters. En zoals met alles in de natuur: de rest volgt…
Het groene goud: mijn olijfboom en eerste olijven
Bij een heerlijk temperatuurtje van 25 graden staat mijn olijfboom te stralen – en vandaag ontdekte ik de allereerste olijven! Het blijft bijzonder: olijfbomen kunnen honderden jaren oud worden en pas na vier à vijf jaar echt rijkelijk vruchten dragen.
De boom zelf vind ik prachtig, met zijn blauwgroene, smalle blaadjes en eeuwenoude symboliek. De olijfboom staat niet alleen voor vrede, liefde en trouw, maar draagt ook de kracht van hoop, overwinning en een positieve toekomst. Als één van de oudste bomen ter wereld komt hij terug in talloze tradities.
Vroeger was een olijfboom een kostbaar bezit. Olijfolie – het ‘groene goud’ – werd eeuwenlang geroemd om zijn zuiverende werking en enorme waarde. Vandaag voelde ik mij rijk toen ik die kleine, groene vruchtjes zag verschijnen. Natuurlijk kon ik het niet laten om er meteen een aquarel van te maken. En ja, ik droom ervan om ooit mijn eigen olijven te oogsten én olijfolie te bottelen…
10 leuke weetjes over de olijf
🌳 Olijfbomen kunnen meer dan 1000 jaar oud worden. In sommige mediterrane landen staan nog exemplaren van ruim 2000 jaar.
🍈 De olijf is technisch gezien geen groente, maar een steenvrucht.
🫒 Verse olijven zijn niet eetbaar door de bittere stof oleuropeïne. Ze moeten eerst behandeld of gefermenteerd worden.
🌞 Olijfbomen hebben veel zonlicht en warmte nodig, maar kunnen verrassend goed tegen droogte.
🍃 Eén boom kan wel 20 tot 90 kilo olijven per jaar geven, afhankelijk van leeftijd en verzorging.
🫒 Er bestaan meer dan 1000 verschillende olijvensoorten, elk met hun eigen smaakprofiel.
🍸 De olijf wordt al sinds 3000 v. Chr. geteeld in de Middellandse Zee.
🫒 Olijven verschillen in kleur door de rijpheid: groene olijven zijn onrijp, zwarte zijn volledig gerijpt.
🌿 Olijfolie is rijk aan gezonde enkelvoudig onverzadigde vettenen antioxidanten.
🌍 Olijfbomen symboliseren vrede; een olijftak is wereldwijd hét teken van verzoening.
Olijven in een pot zetten (conserveren)
Om zelf geoogste olijven eetbaar te maken, kun je ze inleggen:
Bitterheid verwijderen: Olijven worden eerst een paar weken in water gelegd, waarbij je het water regelmatig ververst.
Pekelbad: Daarna gaan ze in een mengsel van water en zout (pekel) om verder te rijpen. Dit kan enkele weken duren.
Op smaak brengen: Voeg kruiden toe zoals knoflook, tijm, laurier of citroen.
Bewaren: Doe de olijven in gesteriliseerde potten en bewaar ze in hun pekel of in olie.
Hoe wordt olijfolie gemaakt?
De basisstappen voor olijfolie zijn verrassend eenvoudig, al vraagt het wel om de juiste apparatuur:
Oogsten– meestal in de late herfst, wanneer de olijven rijp zijn.
Wassen en malen – de hele olijven (met pit) worden gemalen tot een pasta.
Kneden– de pasta wordt rustig gekneed zodat de kleine oliedruppels samenkomen.
Persen of centrifugeren – hiermee wordt de olie van het water en de vaste delen gescheiden.
Filteren – de olie wordt helder gemaakt en klaar voor gebruik.
Het resultaat? Extra vergine olijfolie: het vloeibare goud dat al eeuwen symbool staat voor gezondheid en rijkdom.
“Elke olijf vertelt een verhaal, elke druppel olie een traditie.”
*Eindervaring & recept-tip:
Soms zijn de simpelste combinaties het allerlekkerst. Neem een goede olijfolie van topkwaliteit, een snufje zeezout en een verse baguette – meer heb je eigenlijk niet nodig om pure geluksmomenten op je tong te beleven.
👉 Nog twee heerlijke variaties:
Olijfolie & balsamico – een klein schaaltje met olijfolie, een druppel dikke balsamicoazijn erbij en wat versgemalen zwarte peper. Perfect om brood in te dippen.
Olijfolie met kruiden – meng olijfolie met fijngesneden rozemarijn, tijm, een beetje knoflook en een snuf chili. Even laten trekken en je hebt een geurige dip die naar de Middellandse Zee smaakt.
Simpel, eerlijk en altijd verrukkelijk – olijfolie in haar puurste glorie.
“In juli, als de hitte alles vertraagt, is een ijsje (uit eigen tuin) het allerlekkerst.”
Elke Bourgondische zomer is het raak – dan begint het grote ijsjes maken! Wanneer de thermometer richting de 40 graden kruipt (zoals nu!), trek ik me terug in de koelte van de keuken en tover ik fruit uit de tuin om tot heerlijke verkoelende traktaties. Waterijs, fruitijsjes, en ook romige varianten, alles passeert de revue.
Eén van mijn favorieten is perenijs: fris, subtiel zoet en verrassend zacht van smaak. De peren voor mijn ijsjes zijn soms nog niet helemaal rijp in de tuin, dus koop ik dan biologische exemplaren – voelt altijd een beetje gek als je alles normaal zelf oogst uit moestuin of boomgaard. Maar: voor goede ijsjes mag dat best.
Behalve fruitijsjes maak ik ook speelse ijsjes, zoals bevroren plakjes banaan op een tapasprikker, even invriezen, dippen in gesmolten chocolade en daarna door gehakte nootjes halen. Superleuk om te doen, vooral met Lies – die dol is op manga en alles wat ‘kawaii’ is (lees: schattig). Daarom heb ik inmiddels een flinke verzameling schattige ijsvormpjes. Van mini tot maxi. En als je geen vormpjes hebt? Een leeg yoghurtbakje en een houten stokje volstaan ook.
Dit voorjaar maakte ik zelfs ijsjes met vlierbloesemsiroop. Eén variant met lavendel, één met citroen – beide verrassend verfijnd. En in mijn kookboek staan drie geliefde Franse familie-recepten voor ijsjes, inclusief een vrolijke aquarel van mezelf in het zwembad, gestippeld badpak, zwemband, ijsje in de hand… Je ziet het zomerplezier er zo vanaf spatten.
🍐 Recept: Perenijsjes (± 4 stuks)
Ingrediënten – 2 grote peren (geschild, zonder klokhuis, in blokjes – ± 250 g) – 1/4 biologische citroen (sap) – 1 eetlepel honing (ik gebruikte honing van de imker uit de Morvan) – 1 snufje fijn zeezout – 6 eetlepels water – 1 mokkalepeltje vanille-extract
Bereiding
Pureer alles in de keukenmachine tot een gladde massa. Je hebt ± 260 ml nodig.
Voeg eventueel een beetje water toe tot je op volume zit.
Giet het mengsel direct in de ijsvormpjes – perensap verkleurt namelijk snel!
Zet de stokjes erin en vries 4–6 uur.
Heb je geen stokjeshouder? Steek ze er dan na 1–2 uur in, als het mengsel al iets steviger is.
Houd de vorm even onder warm water om de ijsjes makkelijk los te krijgen.
💡 Tip van Pien: gebruik het liefst rijpe peren met een zachte smaak, en zorg dat je snel werkt na het pureren om verkleuring te voorkomen!
🍌 Extra leuk: mini-bananenijsjes met topping
Snijd banaan in plakjes, steek ze op tapasprikkers, vries 2 uur in, dip in gesmolten chocolade en rol door fijngehakte nootjes, kokos of granola. Nog even rechtop in een glas terug in de vriezer en klaar! Grotere ijsjes? Snijd dan grotere stukken banaan, zorg dat ze elkaar niet raken in het glas.
Zelf fruitijsjes maken is echt een feestje – zeker als het buiten zinderend heet is en de tuin uitpuilt van rijp fruit. Je kunt volop variëren: laagjes maken (watermeloen, kiwi, aardbei), siroop toevoegen, of zelfs met yoghurt experimenteren voor zachtere structuren.
En het mooie? Zo’n ijsje is klein… maar groots geluk in juli.
“Een ijsje is misschien klein, maar het is groot geluk – vooral als je het zelf hebt gemaakt.”
🍓 Suggesties voor goede fruitsoorten voor ijsjes:
Vlierbloesem/lavendel (voor siropen als smaakmaker)
👩🍳 Heb jij wel eens zelf fruitijsjes gemaakt? Wat zijn jouw favoriete smaken of combinaties? Laat het me weten – ik ben benieuwd naar jullie creaties!
“Eenvoud is niet het tegenovergestelde van rijkdom, het is de rijkdom zelf.”
Toen ik samen met mijn dochter en schoonzoon emigreerde naar de Bourgogne, had ik bepaalde dromen. Niet alles kwam uit — maar eerlijk? Dat ligt niet aan het land. Eén grote wens is wél werkelijkheid geworden: leven van onze eigen moestuin en eitjes van de kippen. In de zomer is er overvloed, echt waar. Dan ben ik dagen bezig met inmaken: courgettes, witte kool, komkommer, pepers… noem maar op. Vandaag tikte de thermometer de 35 graden aan, zelfs voor mij is dat warm, maar de tuin? Die bloeit.
De eerste watermeloenen verschijnen, de mandarijnen groeien door van juni tot februari, en mijn citroenboom laat al kleine vruchtjes zien. De aardbeien en blauwe bessen pluk ik letterlijk met bakken tegelijk, en de frambozen volgen snel. Straks komen de vijgen, appels, pruimen en walnoten eraan. Alles groeit, alles leeft. En dankzij de bloemen en bomen voor vlinders en bijen is de tuin ook écht vruchtbaar. Bij ons nieuwe kleine gehucht — een hameau met slechts een paar huizen — dromen we van onze eigen bijen en misschien zelfs van paddenstoelen kweken.
We hebben ons goed aangepast aan het Franse klimaat en een siësta in de hangmat, in de schaduw onder het bladerendak, is zo zalig. Mijn klanten en vrienden hier zijn ook royaal. Gisteren kreeg ik een pot aalbessenjam, verrukkelijk. Soms krijg ik tomaten, dan weer een emmer peren. De ruilhandel van het platteland leeft hier echt. Vandaag lunchte ik zoals ik bijna elke dag doe: buiten, aan een houten tafel in de schaduw, met een bord pasta met gegrilde groenten, een schepje zoetzuur courgette als bijgerecht, en een eitje van onze eigen kippen — die zichzelf momenteel verstopt hebben onder de bomen om aan de hitte te ontsnappen. Ze hebben hun badje en schaduwplekken, dus ze redden zich wel.
Het is werk, zo’n tuin. Maar wat je ervoor terugkrijgt, is onbetaalbaar: smaak, gezondheid en verbondenheid met het seizoen. 🌿
“La terre ne ment pas – wie met liefde zaait, oogst altijd meer dan alleen voedsel.”
🍋 Recepttip: Courgette zoetzuur (als bijgerecht)
Wat heb je nodig:
2 middelgrote courgettes (in dunne plakjes)
250 ml witte wijnazijn
200 ml water
150 g suiker
1 theelepel mosterdzaad
1 theelepel kurkuma
1 kleine ui, in fijne ringetjes
Zout naar smaak
Bereiding:
Strooi wat zout over de courgetteplakjes en laat ze een uurtje uitlekken.
Spoel ze daarna af en laat goed uitlekken.
Breng de azijn, water, suiker, kruiden en ui aan de kook.
Voeg de courgettes toe en laat 3 minuten meekoken.
Schep alles in schone potten en sluit af. Laat minimaal 3 dagen staan voor gebruik.
Heerlijk bij een stukje brood, gegrilde groenten of een zomerse maaltijd buiten onder de bomen 🌞
“Parmi les champs violets de la Provence, là où le vent chante et la lavande danse, naît la magie des anciens verhalen.” (Tussen de paarse velden van de Provence, waar de wind zingt en de lavendel danst, wordt de magie van oude verhalen geboren.)
Ken je de legende van de “la sorcière de lavande?”
Diep in de zonovergoten heuvels van de Provence waart nog altijd het verhaal rond van “la Sorcière de Lavande“, de lavendelheks. Wanneer de zomerlucht zwaar geurt naar paarse bloei, waakt zij in het geheim over de velden. Met haar wapperende rokken en vlechten vol lavendelbloesem fluistert ze oude spreuken tegen naderende stormen. Dieven die het wagen om lavendel te stelen, raken volgens de legende voor altijd hun reukvermogen kwijt. Maar wie haar respecteert en een takje lavendel onder zijn kussen legt, mag rekenen op zoete dromen en een jaar vol geluk. Ze verschijnt soms in de schemering, dansend tussen de rijen, bijna één met de wind. In elke geurige bries lijkt een vleugje van haar magie te zweven – een betovering van puur Provençaalse charme.
Persoonlijke notitie:
La Sorcière de Lavande – wat een prachtige legende… Ik ken Zuid-Frankrijk goed, heb er vele zomers doorgebracht, en soms, als de avond na een zinderend warme dag zachtjes afkoelde en de cicaden hun zilveren lied lieten horen, kon ik haar aanwezigheid bijna voelen. Dan hing de lucht vol zoete lavendelgeur, verzadigd van zonlicht, overvloed en stilte – alsof de tijd zelf even stilstond. In die momenten geloofde ik dat zij daar was, dansend tussen de rijen, één met de wind, zegenend wat groeit en bloeit. De rust, de rijkdom van het land, het zachte geluk van “la douce France” – het lijkt allemaal een echo van haar magie. Misschien is het maar een sprookje, maar ik geloof graag dat zij bestaat. Want het leven is zoveel mooier als je blijft dromen… en gelooft in een beetje betovering.
Elke ochtend brengt een nieuwe oogst en een nieuwe glimlach
In de vroege ochtend, wanneer de dauw nog op de bladeren ligt en het bos langzaam ontwaakt, gaan Lies en ik – moeder en dochter – samen op pad. Met rieten mandjes in de hand struinen we door ons voedselbos in de Bourgogne, op zoek naar een ware lentetraktatie: wilde asperges. Ze lijken op dunne groene asperges, maar officieel behoren ze tot de hyacintenfamilie (Asparagus acutifolius in het Latijn, ook wel “asperges sauvages” in het Frans en “wild asparagus” in het Engels).
Deze plantjes groeien niet uit de grond als witte asperges, maar komen tevoorschijn als trossige, frisse scheuten, vaak aan de bosrand of onder struiken, van april tot juni. De smaak? Tussen spinazie en groene asperge in – zacht, aards en een tikkeltje nootachtig. Ze zitten vol vezels, vitamine C, A en K, en zijn arm aan calorieën. Een mooie bonus: we plukken ze met mate, zodat er altijd genoeg overblijft voor de dieren in het bos.
Na het plukken wassen we ze goed – je weet maar nooit welk bosdiertje nieuwsgierig is geweest – en dan blancheren we ze 3 minuten in licht gezouten water. Daarna direct in ijskoud water: zo blijven ze knapperig, frisgroen en vol smaak.
We verwerken ze in allerlei gerechten: met noedels of rijst, in hartige taarten of omeletten, en zelfs in frisse salades of romige soepen. Soms eten we ze gewoon zo, met een scheutje olijfolie en een snuf zeezout. De natuur op z’n puurst – en het is pure luxe, zomaar in onze achtertuin.
Voordat we naar de recepten gaan, nog even dit: ik heb intussen heel wat gerechten met wilde asperges op mijn naam staan. In principe kun je ze in vrijwel elk recept vervangen waar groene asperges in staan – maar let op: ze zijn fijner van structuur en iets anders van smaak.
👉 Kleine tip als je een omelet wilt maken: was de wilde asperges goed, blancheer ze kort, koel ze af in ijswater en laat ze uitlekken. Klop dan je eieren en voeg de asperges toe – dek af en laat dit mengsel een nachtje in de koelkast rusten. Zo trekken de smaken perfect in elkaar en wordt je omelet nóg lekkerder.
Hieronder deel ik een paar van mijn favoriete recepten met wilde asperges. Bon appétit!
🥧 Quiche met groene asperges en Échiré-boter
(voor 4 personen)
Ingrediënten:
1 rol bladerdeeg of quichedeeg
300 g groene asperges/wilde asperges (in het seizoen!)
3 eieren
200 ml crème fraîche
1 sjalot, fijngesneden
1 el Échiré-boter (of andere gezouten boter van hoge kwaliteit)
100 g geraspte Comté of Gruyère
Peper, zout, nootmuskaat
*Voor deze feestelijke brunch heb ik de groene asperges vervangen door wilde asperges, die nu volop groeien in mijn voedselbos – gratis, puur en net zo lekker. Ze geven dit eenvoudige gerecht een extra bijzonder tintje: geplukt in de ochtend, op tafel tijdens de brunch.
Bereiding:
Verwarm de oven voor op 180°C.
Snijd de houtige onderkant van de asperges af en blancheer ze 3 minuten. Spoel met koud water.
Bak de sjalot glazig in Échiré-boter.
Klop de eieren los met crème fraîche, sjalot, kaas, peper, zout en een snuf nootmuskaat.
Bekleed een quichevorm met deeg. Schenk het eimengsel erin. Verdeel de asperges mooi bovenop.
Bak 30-35 minuten tot goudbruin en stevig.
Serveer warm of lauwwarm met een frisse salade van jonge bladsla en radijsjes. Een glaasje cider of een lichte witte wijn erbij maakt het feestelijk.
Wilde asperges met noedels, champignons en tuin-erwten
Het tweede gerecht is weer zo’n simpele topper uit mijn keuken – bomvol smaak en precies wat je wilt op een lentedag. De vers geplukte wilde asperges kookte ik 3 minuten in licht gezouten water en dompelde ze daarna direct in ijskoud water om hun bite en kleur te behouden. In de wok gingen vervolgens verse champignons en groene tuin-erwtjes mee, en ik combineerde alles met noedels (rijst kan natuurlijk ook). Als extraatje roosterde ik een rode paprika die ik nog over had – want ik hou van lekker, maar ook van zero waste. Een makkelijk, voedzaam en kleurrijk gerecht dat bewijst dat simpel vaak het allerlekkerst is.
Mijn derde recept lijkt op het eerste recept maar is nog simpeler en minstens net zo lekker!
Neem 1 bladerdeeg rol (vers is favoriet)Ingrediënten
olijfolie 🥂✨
1 rol bladerdeeg
150 g kruidenkaas type Boursin look en fijne kruiden
200 g kleine groene asperges
120 g pancetta in stukjes, of zon gedroogde tomaatjes
1 ei losgeklopt
1/2 citroen
peper, zout
Instructies
Verwarm de oven voor op 200°C.
Rol het bladerdeeg uit, prik er enkele gaatjes in en smeer er de kruidenkaas over uit. Laat hierbij een randje van 2 à 3 cm vrij.
Doe de asperges in een menkom en besprenkel met olijfolie en het sap van de citroen. Kruid met peper en zout. Meng en schik de asperges over de kruidenkaas.
Verdeel er de pancetta over. Ik heb zon gedroogde tomaten in reepjes gebruikt, in plaats van pancetta, ik hou van vegetarisch eten.
Plooi de randjes van het bladerdeeg om en smeer deze in met het ei.
Bak 20 minuten, laat lichtjes afkoelen en serveer.
Notities
De taart is super lekker zowel warm, lauw als koud.
Je kan hem als hapje serveren, als voorgerecht met een kleine salade erbij of als hoofdgerecht.
Indien je grote groene asperges wenst te gebruiken, halveer deze dan vooraleer je ze op de taart legt. Wil je ze toch zo gebruiken, kook ze eerst even beetgaar zodat ze zeker gaar uit de oven komen.
Variëren is mogelijk: Wissel eens van kruidenkaas, neem gerookte spekblokjes in plaats van pancetta of voeg een extra groente toe. Alles kan!
De natuur serveert het beste ontbijt, zolang je er maar op tijd bij bent
In de stilte van het voedselbos vertellen zelfs de kleinste bloemen hun verhaal — en soms smaken ze verrassend pittig
Tussen het frisse lentegroen van mijn voedselbos in de Bourgogne bloeit een bijzondere bloem: de pinksterbloem. Met haar roze/lila bloemetjes en verfijnde, pittige smaak lijkt ze misschien onschuldig, maar deze bloem is een echte smaakmaker én vol geschiedenis.
Wat is een pinksterbloem eigenlijk?
Latijnse naam:Cardamine pratensis
Familie: Kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
Nederlandse naam: Pinksterbloem
Franse naam:Cresson des prés
Engelse naam:Cuckoo flower of Lady’s smock
De naam pinksterbloem is eigenlijk misleidend. Je zou denken dat ze met Pinksteren bloeit, maar de meeste pinksterbloemen zie je al vanaf half april verschijnen – zeker hier in de Bourgogne, waar de lente vaak net iets vroeger inzet. In Nederland en België is ze helaas zeldzamer geworden, maar hier groeit ze nog volop!
De Engelse naam “cuckoo flower” verwijst naar het verschijnen van de bloem rond de tijd dat de koekoek voor het eerst roept. In Frankrijk noemt men haar “weidekervel”, wat haar voorkeur voor vochtige graslanden verraadt.
Wat maakt de pinksterbloem zo bijzonder?
Smaak: zachte radijs, met een licht pittige bite
Eetbaar: bloemetjes, blaadjes én jonge stengels
Rijk aan vitamine C en mosterdolie-verbindingen
Waardplant voor het oranjetipje (vlindersoort)
Receptidee: Dipsaus met pinksterbloemen
Ingrediënten:
Handvol jonge pinksterbloemblaadjes en bloemetjes
2 el volle yoghurt of plantaardige variant
1 tl citroensap
Snuf zout & peper
Eventueel: geraspte radijs of een kneepje honing
Bereiding:
Meng alle ingrediënten tot een frisse dip. Heerlijk bij rauwkost, brood of een krokante cracker.
Pien op smaakreis…
Pinksterbloemen zijn niet alleen een lust voor het oog, maar ook een verrassende toevoeging aan mijn lentemenu. In mijn voedselbos in de Bourgogne ontdek ik elke dag weer nieuwe smaken en verhalen.
Meer inspiratie? Volg mijn blogs en ontdek hoe je zelf op smaakreis kunt gaan – met bloemen, kruiden en groenten uit de natuur.